Dag 8 - Lenigheid

Wat is lenigheid? Met lenigheid wordt normaal gesproken bedoeld: in staat zijn tot relatief grote bewegingsuitslagen.

Een bekende lenigheidtest is het bepalen van de minimaal haalbare vingerbodemafstand bij voorover buigen van uit stand met gestrekte knieën. Vaak wordt aan het eind van deze beweging een rekkend of zelfs pijnlijk gevoel aan de achterkant van de bovenbenen aangegeven. Deze sensatie wordt toegeschreven aan rek van de (te)korte hamstrings. Dit doet de vraag oproepen welke parameters invloed hebben op de lenigheidtest van de hamstrings.

Een aantal van deze parameters zijn van buiten af zichtbaar bijvoorbeeld de lengte van de armen, flexie van de wervelkolom en de lengte van het dijbeen. Duidelijk is dat van iemand met relatief langere armen en relatief korte benen een kleinere vingerbodem afstand verwacht mag worden dan in het omgekeerde geval. Afgezien van het probleem hoe we moeten vast stellen of er sprake is van relatief korte of lange armen en benen zijn er ook andere parameters die zonder bijzondere maatregelen als röntgenfoto’s onzichtbaar blijven. Een voorbeeld van een onzichtbare parameter is de tuberlengte. Zo kan het zijn dat twee mensen met uiterlijk een grote mate van overeenkomst in lichaamsbouw en flexie mogelijkheden van de wervelkolom toch een zeer verschillende lenigheid vertonen, doordat een paar onzichtbare parameters verschillen. Zo kan de ene persoon bij het voorover buigen makkelijk met de handen aan de grond komen, terwijl die andere persoon, met uiterlijk dezelfde lichaamsbouw, maar halverwege het onderbeen komt. Als we het met gestrekte knieën met de handen bij de grond komen als norm beschouwen, zouden we de laatstgenoemde persoon willen behandelen met “rekkingoefeningen” voor de hamstrings.

Lenigheid is niet alleen afhankelijk van de verlengingsmogelijkheden van spieren of van de mogelijke bewegingsuitslagen in gewrichten. Een belangrijke invloed hebben ook de verhoudingen en absolute maten van een aantal delen van het lichaam op de van nature aanwezige mogelijkheden tot bewegen. De lichaamsbouw speelt dan ook een belangrijke rol.

Uit een onderzoek van TNO Arbeid onder ruim zeventienhonderd werknemers in 34 verschillende branches blijkt dat sportieve werknemers minder vaak ziek zijn dan hun niet sportende collega's. Over een periode van vier jaar verzuimden sporters gemiddeld 25 dagen minder van hun werk dan werknemers die in die periode geen sport beoefenden. Het verschil loopt op tot ruim vijftig ziektedagen in vergelijking met werknemers die nog nooit hebben gesport in hun Vrije tijd.
Het verschil in ziekteverzuim tussen sporters en niet -sporters is volgens het onderzoeksinstituut groter in de beroepsgroepen die veel zittend werk verrichten.
Niet-sporters blijken volgens TNO Arbeid niet alleen een iets grotere kans te hebben om ziek te worden, maar ook minder snel te herstellen. Sporters herstellen over het algemeen in vijf verzuimdagen; niet-sporters hebben langer nodig.
TNO Arbeid concludeert op basis van dit onderzoek dat het voor werkgevers lucratief kan zijn hun personeel te stimuleren voldoende te bewegen. Toch blijkt anno 2003 volgens het onderzoeksinstituut slechts veertien procent van de bedrijven met meer dan vijftig werknemers 'iets aan bewegingsstimulering' te doen.

Beginners:

Di => LLLLLWLLLLLWWLLLLLWWLLLLLLWW
Do => LLLLLWLLLLLWLLLLLWWLLLLLLWW

Gevorderden:

Di => 20xL W 20xL WW
Do => 20xL WW 23xL WW