Dag 18 - Bekkenbalans

Het bekken bestaat uit drie botten: heiligbeen en het linker en rechter heupbeen. Het linker en rechter heupbeen is opgebouwd uit drie onderling in de puberteit vergroeide botten: het darmbeen het zitbeen en het schaambeen. Deze drie botten vormen samen het heupbeen en de heupkom. Na de puberteit is er van de verbindingen niets meer te zien, zodat het als één bot wordt beschouwd.

Het bekken bekleedt een centrale rol bij de houding en beweging. Het bekken doet zowel mee met bewegingen van de benen, als met rompbewegingen.

De linker- en rechterhelft van het bekken kunnen in geringe mate ten opzichte van elkaar voor en achterover kantelen.

 

De spieren die invloed uitoefenen op de bekkenbeweging.

Binnen het bekken bevinden zich spieren die voor het bewegingsapparaat van minder belang zijn. Een aantal spieren vormt de bekkenbodem, die o.a. de ingewanden steunt.
De bekkenbewegingen worden uitgevoerd door de spieren van de romp, de buik en rugspieren en de spieren van het heupgewricht. Bij bewegingen van de benen en bij bewegingen van de romp, zal het bekken altijd meebewegen om het lichaam in evenwicht te houden. Bij het doorhalen van een been kantelt het bekken voorover. Omgekeerd zal het bekken bij het heffen van de benen achterover kantelen. Bij zijwaarts heffen van het been kantelt het bekken ook zijwaarts.
Het bekken mag niet voor of achterover gekanteld staan. Dit is moeilijk te beoordelen. Bij een voorovergekanteld bekken is de lage rug hol. Bij een achterovergekanteld bekken is er een vlakke rug.

Voor- en achterwaarts zijn het vooral de spieren die aan de voor en achterzijde van het bekken hechten die het evenwicht handhaven. Spieren die het bekken achteroverkantelen zijn:

Spieren die het bekken vooroverkantelen zijn:

Het mag duidelijk zijn dat bij het hardlopen ook de rug en buikspieren belangrijk zijn. De volgende oefeningen kunnen goed gebruikt worden om deze spieren te trainen.



Kom met uw bovenlichaam iets omhoog in de richting van uw knieën. Tijdens de beweging liggen de handen losjes tegen het achterhoofd. Het hoofd houdt altijd dezelfde afstand tot het lichaam. Aansluitend laar u het lichaam weer even langzaam en gelijkmatig zakken zonder dat u neerploft.



Til het bekken in een rollende beweging een paar centimeter omhoog in de richting van het hoofd. Laat de bekken vervolgens weer zakken, maar raak de grond niet aan.



Til het bekken op tot de bovendijen en de romp een rechte lijn vormen. Richt de blok omhoog naar het plafon. Zo ligt het hoofd in het verlengde van de wervelkolom. Deze oefening kunt u zowel statich als dynamisch uitvoeren. Houd de spanning in de eindpositie enkele seconden vast voor u de romp weer helemaal laat zakken of laat het bekken in een gelijkmatig ritme op en neer gaan, waarbij het zitvlak de grond niet mag raken.


Variant: in de statische variant kunt u afwisselend een onderbeen optillen en dit in het verlengde brengen van de rest van het lichaam. De tenen van het gestrekte been worden dan opgetrokken en de hiel komt naar voren. Hierdoor worden behalve de spieren ook de lichaamswaarneming en het evenwichtsgevoel geoefend.